|
Reactie op bericht L.Compagnie: Spiegeling van Philidor.
De verklaring is m.i. dat een eindspeltheoreticus in een hoofdstuk over een bepaalde materiaalverhouding altijd een keuze maakt voor een bepaalde kant van het bord, en daarna alle eindspelen die hij opduikelt uit diverse bronnen, indien noodzakelijk, naar die kant spiegelt. Het is namelijk nogal vermoeiend om in een eindspelboek over bijv. een toreneindspel met f+h-pion stellingen te zien met a+c-pion.
Daarna pennen anderen de zaak over, en uiteraard is De Bilguer (en later Berger's werk uit 1890) de basis voor het meeste werk op dit gebied.
Ik meen me te herinneren dat onze nestor Wouter Mees in een artikel in EBUR nog een theorie had over de links/rechts-weergave van eindspelstudies analoog aan de strips van Kuifje (alle striphelden hollen van links naar rechts). Omdat wij van links naar rechts lezen zouden studies met weergave aan linkerkant aantrekkelijker ogen. Het is nog wel aardig om dit eens statistisch te toetsen in mijn database. Afgezien van een handvol rochade-studies is er geen bezwaar om alle studies te normaliseren naar "links" (of desnoods "rechts"). Dat kan op verschillende manieren. Voor de hand ligt om de positie van de wK hierin beslissend te maken.
In enkele bronnen staat Philidor's stelling wèl correct:
Karpov,A (Moscow 1990): Shakhmatni Entsiklopedicheski Slovar, Chess Encyclopedia, page 429.
Gurgenidze,D (Tbi lisi 2004): [title in Georgian] (Let’s Study the Endgame), diagram 222,
Caputto,Z (Buenos Aires 1990, Ediciones Eseuve Madrid 1992): El Arte del Estudio de Ajedrez 1, (The Art of Chess Studies 1), diagram 397.
Met vriendelijke groeten, Harold van der Heijden |